JUDY LOHMAN
VAN HARTE WELKOM
HOMEBLOGOVER JUDY LOHMANONZE BOEKENVEEL GESTELDE VRAGENKOPENCONTACTCOLUMNSLINKSVOOR HET GOEDE DOELREISVERHALENEBOOK GRATIS DOWNLOADEN

Een mobile home in Cambodja

 


Al jaren reizen we met onze camper, een omgebouwde MAN-vrachtauto, door Europa om vervolgens op verschillende plekken aan onze boeken te werken. Onze omgeving was natuurlijk van mening dat deze maandenlange verblijven in het buitenland niets anders dan langgerekte vakanties zijn, maar naar ons idee werd het hoognodig tijd om er eens ‘echt’ tussenuit te gaan en ver te blijven van internet, laptop of zelfs een pen. Gewoon, een ouderwetse vakantie meemaken.


Er lag een dik pak sneeuw toen wij in de tweede week van januari 2010 vertrokken en ons opvouwden in een vliegtuig van China Airlines. Na een opgekrulde nacht waarin onze medereizigers geen melatonine aanmaakten en luidkeels alvast de vakantiepret inzetten, rolden we na twaalf uur vliegen, verdwaasd en verfrommeld in Bangkok uit het vliegtuig. Een binnenlandse vlucht bracht ons naar het oost-zuidelijk gelegen Trat en uiteindelijk spoelden we met behulp van een veerboot bij het eiland Koh Chang aan.
Een oord, zo verzekerde het in Thailand gespecialiseerde reisbureau ons met klem, van weldadige rust, wuivende kokospalmen en ongerepte stranden. De medereizigers, vooral het hoge percentage jeugdig getatoeëerden, deed vermoeden dat het verkoopargument weldadige rust onder druk zou komen te staan. De medewerker van het reisbureau was inderdaad allang niet meer in Koh Chang geweest. Tot onze schrik kwamen we in een Alcatraz terecht waarin de hordes toeristen uit ruifjes werden gevoederd en de shops en hotels schouder aan schouder als een rugbyteam de inderdaad feëerieke westkust bezetten. Na een nachtelijke invasie van de hotelkamer naast ons door een stevig gebouwde Rus met een frêle, hoog kirrendeThaise, besloten we te verkassen naar de nog ongerepte oostkust waar we via een brommertochtje op een nog niet officieel geopend resort waren gestuit (www.kooncharaburiresort.com).




Het andere uiterste was onze beloning. Geen enkele toerist, twintig man personeel, vooral uit Cambodja, een toegewijde pas gearriveerde manager - mister Chin - en een masseuze Piab, die tevens elke dag onze bedden verschoonde en verse handdoeken verstrekte. De beloofde rust viel ons ten deel. Het belangrijkste vraagstuk van de dag werd aan welk zwembad we zouden gaan liggen of de vraag of we ons ertoe zouden kunnen zetten een kajaktocht langs de ongerepte mangrovekust te maken.



De warme, lome dagen regen zich aaneen als kralen aan een rozenkrans. Na vijf dagen in een soort comatueuze stilstand te hebben doorgebracht, stuitten we op een aanbieding. De Dagobert Duck in ons ontwaakte. Voor nog geen twintig euro konden we vervoerd worden naar Angkor Wat in Cambodja. Eén van de hoofdsteden
(nu een tempelcomplex) van het vroegere Khmer-rijk en onderdeel van de wereld erfgoedlijst van Unesco. De wijze waarop dat vervoer zou plaatsvinden werd door de medewerker van het reisbureautje in mistige termen beschreven. De grens over? Hoe ging dat in zijn werk? De listige, maar vooral gretige medewerker wapperde onze bezorgde vragen weg. Thailand en Cambodja waren immers dikke vrienden, verzekerde hij ons. We zouden huppelend, zonder enige moeite de grens kunnen passeren en aan de overkant zouden we, echt waar, door behulpzame Cambodjaanse handen opgevangen worden en keurig afgeleverd worden in Siem Reap, de stad in het Noordoosten van Cambodja die op een steenworp afstand van het wereldberoemde tempelcomplex ligt. Niet geheel gerust op dit avontuur werden we een dag later door de zorgzame mister Chin op de afgesproken plek bij de haven afgeleverd. Daar stond inderdaad een ronkend minibusje dat ver over zijn afschrijvingstermijn heen was, ons op te wachten. De chauffeur drentelde al ongeduldig rond. We waren de enige reizigers, samen met een nog niet geheel uitgeslapen Zuid Afrikaan, Adam. Breeduit zittend in de gekoelde minibus gingen we op pad, dwars door de tropische weelde van Thailand. Adam ontwaakte verder, mister Chin belde nog twee keer om te vragen of alles oké was, dus tot de grens was het een bepaald aangename rit te noemen. Totdat we wij na een aantal uren ergens in het grensstadje Poipet stopten en de chauffeur vief uitstapte, onze deur met een zwaai opende, waarop een opgewonden man op ons afstormde. Hij zou direct de visa voor ons kunnen regelen. Hup, hup. Zijn handen maakten malende bewegingen door de lucht. Er was haast bij begrepen we uit zijn geagiteerde handelingen. Voordat we het wisten hadden we geld en onze paspoorten aan hem overhandigd en reden we in een ander busje verder naar de officiële grensovergang. Onze gemoedsrust verdween en opeens werden we meegezogen in een haastige rush om de grens over te komen. Rij 3 wees de begeleider nog vaagjes naar de samengestolde massa toeristen en voordat we het wisten was de jonge knul in het gestreepte T-shirt verdwenen. We voelden ons erg dom op dat moment. Ook Adam begon onrustig worden. Na een uurtje wachten, lange, trage minuten gevuld met de meest verschrikkelijke visioenen, verscheen het gestreepte T-shirt weer met in zijn hand de drie paspoorten. Een wonder waar we het geloof al in hadden verloren. We beloofden onszelf nooit, maar dan ook nooit meer ons paspoort uit handen te geven. De grensovergang ging daarna eigenlijk verrassend soepel, met veel glimlachjes. Maar dat waren Thaise vrouwenglimlachjes. De Cambodjaanse mannen aan hun kant van de streep, een halve kilometer verderop, waren niet alleen onverzettelijk, maar ook verscholen achter dik matglas waarachter een lange stroperige rij zich ophoopte. Het membraan waardoor de toeristen zich moesten wringen was taai en stroef. Elk paspoort werd bestudeerd alsof het Het Financieel Dagblad was, foto’s moesten volgens nauwgezette instructies worden gemaakt, kortom de kennismaking met het beloofde vakantieland deed het ergste vermoeden. Het regende ook nog waardoor de eerste indruk van Cambodja er eentje was van opspattend modder. Binnen no time liepen de toeristen als een groep vluchtelingen, bespat en vermoeid door de straat van Poipet, op zoek naar de beloofde behulpzame handen die hen zou opvangen. Het gestreepte T-shirt dook verrassend genoeg aan de Cambodjaanse kant weer op, zonder zich door het membraan te hebben geworsteld. Dikke vrienden, was ook zijn uitleg. Na een half uur wachten verscheen een bus waarin we werden vervoerd naar een kilometers verder gelegen busstation. Daar was het tot onze verrassing de bedoeling dat we de reis verder samen met Adam in een personenauto zouden voortzetten, maar dan wel met zijn drieën samengeperst op de achterbank, de chauffeur duldde geen passagier naast zich, ook niet na ons afwisselend gebedel. Hij toeterde om de minuut ons onderdrukt gemompel weg.





Cambodja toonde zich de weken erna als een uitermate plezierig vakantieland. We zijn zelfs twee weken in Siem Reap gebleven, terwijl de gemiddelde doorlooptijd van een toerist op die plek daar twee, uiterlijk drie dagen is. Dat kwam niet alleen door het adembenemende tempelcomplex Angkor Wat, maar ook door de prachtige natuur op een steenworp afstand. De heilige tempelstad (Angkor betekent heilige stad en Wat tempel) is circa 50 bij 50 kilometer en is in de 12e eeuw gesticht door koning Suryavarman II. Persoonlijk vonden we Angkor Tom (Bayon), de tempel met de hoofden (zie foto) indrukwekkender. We kunnen iedereen aanraden om een fiets te huren en dan zelf op onderzoek uit te gaan. En niet te lang meer te wachten met het bezoeken van dit land. Acht jaar geleden, zo vertelde de Franse eigenaar van het charmante hotelletje waar we ons gesetteld hadden (www.mysteres-angkor.com), konden ze niet eens een lamp kopen in dit stadje, maar moesten ze daarvoor naar de hoofdstad Phnom Penh. Ondertussen is door de bekendheid van Angkor Wat de toeristenstroom goed op gang gekomen. Het feit dat er een duaal geldstelsel is, naast de Cambodjaanse Riel (papiergeld met vele nullen) wordt er met Amerikaanse dollars betaald. Niet alleen in hotels, maar ook in restaurants, zelfs in winkels en op de markt wordt met droge ogen om dollars gevraagd.



Toch, met enige vindingrijkheid en durf kom je in Siem Reap zonder enige moeite het ongerepte Cambodja nog tegen. Fietsend, dwars door de rijstvelden, langs afgelegen gehuchtjes hebben we geweldige dagen gehad. We kwamen een Spaans jong stel tegen dat met in Bangkok gekochte mountainbikes dwars door Cambodja trokken, maar net zoals wij, verliefd waren geworden op Siem Reap, het tempelcomplex en de omgeving. We dachten dat zij ruig reisden, maar toen hadden we de Deen Fin nog niet ontmoet…
Fin kwamen we in Phnom Phen tegen. We hadden een lichte motor (125 CC) gehuurd en boorden ons door het verkeer van de hoofdstad met circa 1,5 miljoen inwoners. Het was een raar idee dat na de komst van de Rode Khmer in 1975 deze stad (destijds 2 miljoen inwoners!) geheel ontruimd en getransformeerd werd in een spookstad. De gruweldaden van de Rode Khmer hebben mede door de film The Killing Fields grote bekendheid gekregen, hoewel het wonderlijk is dat de wereld zoveel jaren onverschillig heeft toegekeken. Pas in 1979 zijn de Rode Khmer door de Vietnamezen verdrongen. Het trauma van het Rode Khmer-regime laat ogenschijnlijk bij de vlot geklede en brommende jeugd geen sporen na. Ze jakkeren met gemak door de straten, gemiddeld met zijn drieën op één brommer, de meisjes vaak in een achteloze amazonezit achterop en voorzien van een felgekleurd of zwart monddoekje tegen de uitlaatgassen. Als water en olie vloeiden de voertuigen moeiteloos rakelings langs elkaar. Vaak tegen de rijrichting in. Niet alleen mensen, maar alles wat maar vervoerd kon worden, werd meegesleept op de brommer. Van grote roze varkens tot tafels. Levensgevaarlijk? Wellicht, hoewel we in de vijf dagen dat we in Phnom Penh waren geen enkel verkeersongeluk hebben gezien of meegemaakt. Alleen schoolieren en een enkele verdwaalde toerist (zoals wij de eerste dag) fietsten, maar zodra er meer geld, lees dollars voorhanden zijn, wordt het een gemotoriseerd voertuig. We hebben nog nooit van ons leven zoveel brommers en motors bij elkaar gezien. Fin had er ook eentje. Een zware, 250 CC, met twee koplampen die dreigend boven waren elkaar geplaatst. De eerste glimp die we van hem opvingen was bij het meer in Phnom Penh dat zich aan de noordzijde van de hoofdstad bevindt, omringd door goedkope questhouses. Hij was net bezig zijn motor schoon te maken en gaf ons een knikje van herkenning toen wij langsreden. ‘’Geen man om ruzie mee te krijgen,’’ mompelden we beducht tegen elkaar, zijn rijzige gestalte en zijn haar in een paardestaart opmetend. De dag erna, op het vliegveld, kwamen we hem weer tegen. In schone kleren deze keer, maar nog steeds met zijn haar in een staart.


Hij sprak ons joviaal aan. Het bleek een bijzonder toegankelijk en tot onze verbazing uiterst beschaafde man te zijn. We schaamden ons voor ons vooroordeel. Hij had een eigen bedrijf in opleidingen en kon zich langere tijd veroorloven om te reizen. Eerst vier weken door Birma en daarna vier weken door Cambodja, had hij getrokken. Trots meldde hij dat hij de beide landen met een motor had doorkruist en dat hij - hij wees op zijn beduimelde rugzak - ruig in de open lucht in een hangmat sliep. Wij kregen zijn gebruikte Lonely Planet in handen gedrukt. Nog even wijdde hij uit over het voordelen van het slapen in de open lucht, het als een puber door modder jakkeren op een 250 CC motor, om daarna te verzuchtten:
‘’But I know that eventually I will end up in an mobile home.’’
 
 
Gezichtsbedrog in Casarabonela (Zuid Spanje)
Een mobile home in Cambodja
Bonnie Prince Charlie
Poezen mee op reis
Maremma: het onbekende Toscane
Het Lourdes van Italiƫ
Yorkshire horseracing
De Kees van Dongen van Zweden
Bolsena een bloemenwonder in Lazio (Italiƫ)
De Quintana (De Marken)
HOMEBLOGOVER JUDY LOHMANONZE BOEKENVEEL GESTELDE VRAGENKOPENCONTACTCOLUMNSLINKSVOOR HET GOEDE DOELREISVERHALENEBOOK GRATIS DOWNLOADEN